Hoofdelijke aansprakelijkheid door bestaan vennootschap onder firma.
Op 10 december 2024 werd een arrest gepubliceerd van het gerechtshof Den Haag (van 8 oktober 2024). Het betrof een geschil (in hoger beroep) over onder andere de vraag of sprake was van een hoofdelijke aansprakelijkheid voor een vordering omdat tussen de betrokken partijen een vennootschap onder firma zou hebben bestaan. Een van de betrokken partijen betwistte echter het bestaan van een vennootschap onder firma.
In deze appelprocedure werd de verwerende partij o.a. toegelaten tot het leveren van bewijs dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst het betrokken bouwbedrijf door de procespartijen niet werd gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Het gerechtshof was echter van oordeel dat het zogenoemde bewijsvermoeden dat sprake is geweest van een vennootschap onder firma niet door de verwerende partij in deze procedure werd weerlegd.
In een eerder stadium van de procedure werd namelijk door het gerechtshof geoordeeld dat voorshands bewezen werd geacht dat – vanaf februari 2012 – en dus ook ten tijde van het aangaan van de eerste overkomst tussen de partijen het betrokken bouwbedrijf werd gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Daarbij is onder andere gewezen op de door de appellant overgelegde samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst bepaalde dat per ingang van 1 februari 2012 de verweerder voor 50% was gerechtigd tot het betrokken bouwbedrijf en dat alle opbrengsten en verliezen gedeeld zouden worden. Verder vermeldde de samenwerkingsovereenkomst onder meer dat het bedrijf door hen beiden volledig ‘gerund’ gaat worden ‘per ingaan’ van ondertekenen. Verweerder betwistte dat echter en werd toegelaten tot het leveren van bewijs dat ten tijde van het aangaan van de overkomst tussen de appellant en het betrokken bouwbedrijf, dit bouwbedrijf niet werd gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma.
De verweerder voerde bij akte aan dat de samenwerkingsovereenkomst naar zijn mening onjuist was, niet door hem was opgesteld en ook niet door hem ‘in deze vorm’ was getekend. ‘Subsidiair’ was verweerder van mening dat er wel gesprekken waren gevoerd, maar deze hadden niet tot een vennootschap onder firma geleid. Dat zou worden bevestigd door de omstandigheid dat de onderneming als een eenmanszaak was afgewikkeld, niet als een vennootschap onder firma stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en ook niet als zodanig bij de belastingdienst was geregistreerd.
Bij de beoordeling door het gerechtshof werd echter (terecht) vooropgesteld dat verweerder (in een eerder stadium van de procedure) uitdrukkelijk had erkend dat hij de samenwerkingsovereenkomst had getekend hetgeen haaks stond op hetgeen de verweerder in zijn bewijsopdracht hieromtrent had gesteld. De voornoemde verklaring van de verweerder geldt namelijk als gerechtelijke erkentenis (artikel 154 lid 1 Rv) met als gevolg dat de verweerder daaraan (ook in hoger beroep) is gebonden. Van enige wettelijke uitzondering hierop (artikel 154 lid 2 Rv) was ook geen sprake. De vraag rijst naar onze mening wel of in deze procedure een kostbare bewijsopdracht gegeven had dienen te worden. De conclusie aan de zijde van het gerechtshof was dat het ervoor moest worden gehouden dat ten tijde van het aangaan van de overkomst door partijen het bouwbedrijf werd gedreven door in de vorm van een vennootschap onder firma.
Het arrest van het gerechtshof Den Haag toont naar onze mening in ieder geval aan dat ondernemingen zich bewust dienen te zijn van de juridische impact die (samenwerkings)afspraken (wellicht onbedoeld) kunnen hebben. Wij adviseren dan ook samenwerkingsafspraken goed schriftelijk vast te leggen en daarbij expliciet te benoemen wat het karakter van de betreffende samenwerking dient te zijn.