Matiging van bestuurdersaansprakelijkheid
Begin februari 2025 werd er een arrest gepubliceerd van het hof Amsterdam met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid. Een curator was tegen de bestuurder en feitelijk beleidsbepalers van een failliete onderneming een gerechtelijke procedure gestart nu de curator van mening was dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur. Zowel de rechtbank als het hof waren van oordeel dat de bestuurders en feitelijk beleidsbepalers weliswaar aansprakelijk waren, maar het hof zag wel noodzaak de aansprakelijkheid te matigen.
De bedrijfsactiviteiten van de failliete onderneming bestonden uit het uitlenen van fysiotherapeuten aan een onderneming waarvan een van de appellanten enig bestuurder is en 75% van de aandelen houdt. Door het uitblijven van betaling van verschuldigde premies vroeg het Pensioenfonds faillissement aan. Eind 2019 werd het faillissement ook uitgesproken.
De curator was in deze zaak van mening dat sprake was van onbehoorlijk bestuur hetgeen een belangrijke oorzaak zou zijn geweest van het faillissement. De curator stelde de bestuurders en beleidsbepalers van de failliete onderneming dan ook aansprakelijk voor het tekort in het faillissement. Daarnaast was de curator van mening dat een bedrag van € 43.000, – dienen te worden terugbetaald aan de boedel nu er sprake zou zijn van geweest van zogenoemde paulianeuze betalingen (betalingen waardoor andere schuldeisers zouden zijn benadeeld).
De rechtbank was met de curator van oordeel dat het bestuur van de failliete onderneming niet voldaan heeft aan de wettelijk verankerde boekhoudplicht. De rechtbank zag dat ook als een belangrijke oorzaak van het faillissement. Ondanks het verweer van het voormalig bestuur werd aansprakelijkheid door de rechtbank in volle omvang aangenomen. De voormalig bestuurders en beleidsbepalers waren het er niet mee eens en gingen in hoger beroep.
Ook het hof stelde de curator grotendeels in het gelijk en achtte de bestuurders en feitelijk beleidsbepalers aansprakelijk op grond van onbehoorlijk bestuur. Echter, het hof achtte aansprakelijkheid van het voormalig bestuur voor een boedeltekort dat inmiddels meer dan het zesvoudige van de schuldenlast bedroeg in de omstandigheden van dit geval disproportioneel en niet redelijk. De aansprakelijkheid aan de zijde van de bestuurders en feitelijk beleidsbepalers werd dan ook tot een bedrag van EUR 30.000, – gematigd. Een oordeel ter zake de paulianeuze betalingen werd door het hof aangehouden.